Het grote verhaal is voorbij, zegt men. Er is geen groot verhaal meer over mensen. Er is ook geen groot verhaal meer over God, wie God? Er zijn duizend kleine verhalen. Toen de spiegel kapot viel, zagen we pas hoeveel kleuren die in zich droeg. Elk mens vertelt een verhaal. Elke jij je eigen verhaal over de wereld, over God. Dit weblog is een jij. Met een eigen verhaal. Puttend uit de christelijke traditie. Puttend uit het eigen lijf. God viel in fragmenten uiteen. En was misschien nog nooit zo mooi als juist nu.
Een Poolse vriendin stuurde de laatste bundel van Wislawa Szymborska: "Genoeg!". Het onderstaande gedicht sprong er gelijk uit. Ze bezingt die mensen erin die hun leven wel op orde hebben. Je leest met zekere jaloezie hoe zij de dingen voor elkaar krijgen. Mijn leven is rommelig. En ik heb het meeste niet in de vingers. En net als je denkt, zoals ik deed, wat moet het heerlijk zijn om alles te kunnen, verschuift Szymborska het paneel. "Soms ben ik jaloers op hen - maar gelukkig gaat dat over." In de orde gaat iets verloren wat Szymborska graag wil behouden.
Eén ding kan zij trouwens wel. Haar gedachten treffend op papier krijgen. Of, pardon, dat kon ze. En dat kon ze goed.
Er zijnvan die mensen, die
Er zijn van die mensen, die het leven juister uitvoeren.
Zij hebben in zichzelf en om zich heen orde.
Voor alles een manier en een passend antwoord.
Weten gelijk te zeggen wie van wie, wie met wie
tot welk doel, waarheen.
Zetten stempels op enkel waarheden,
werpen overbodige feiten in de papierversnipperaar
Bij hemelvaart denk ik nooit aan een Jezus die recht opstijgt naar de wolken. Of, nee, dat is niet waar. Ik denk er wèl aan. Het hindert me. Moet ik geloven dat je je ook vertikaal kunt voortbewegen? En dat zonder straalmotor in je rugzakje? Ik raak er van in de war. En ik raak het boek van de Handelingen kwijt, waarin de geschiedenis verteld wordt.
Bij hemelvaart denk ik aan het schilderij van Vermeer "Zicht op Delft". Ik heb een paar jaar in de buurt van het Mauritshuis gewoond. Niet de gemakkelijkste tijd. En als het mij dan even te gek werd, kocht ik een treinkaartje naar Den Haag (zó dichtbij woonde ik nou ook weer niet) en liep ik vanaf het station regelrecht naar het schilderij. En elke keer weer overviel mij de schok: Vermeer had de vijfde dimensie geschilderd! Geen koektrommel, zelfs geen serieuze kopie kan weergeven wat er in dit schilderij gebeurt. Het zuigt je naar binnen. Het is een geopend raam. Alsof het licht geeft.
Een wijde, wijde koepel welft zich over de stad. Het heeft geonweerd, de daken glinsteren er nog van. De dreiging is voelbaar, terwijl de laatste dikke druppels in het water vallen, ze trekken kringen. Vermeer schildert het met de geweldigste precisie. Onderaan, nog net in beeld, staan twee vrouwen. Ze komen van de markt, stel ik mij zo voor. Ze hebben net geschuild en waren bang. Nu staan ze onbekommerd in de vrije ruimte. Ze praten over Jet die zo onhandig is, of over de eierprijzen, wie zal het zeggen. Over kleine dingen. Hoog boven hen, die lucht die weer vriendelijk en veilig wordt. Ik weet het zeker: die hemel kijkt. Die kijkt met liefde naar de stad, de daken, de bomen, de schuiten, en in het bijzondere kijkt deze hemel naar die twee vrouwen.
Soms fietste ik langs het poortje. In het echt. Dan was er nooit iets te zien. Wat lelijke nieuwbouw. Dood, bruin, water. En nooit die betekenisvolle lucht. Daar op de fiets was Delft gewoon een onbeduidend provinciestadje. Maar stap je het Mauritshuis binnen, dan weet je het weer. Wij zijn niet dood. Water is niet bruin. Het leven is een speelplaats.
Wanneer ge vast, weest dan niet als de schijnheiligen somber van gezicht; want zij maken hun gezichten ontoonbaar om te tonen aan de mensen dat zij vasten;
zeker is het, zeg ik u, zij hebben hun loon al!-
Deze woorden van Jezus uit het Mattheusevangelie spelen al een paar dagen door mijn hoofd. Niet vanwege het vasten, maar vanwege het sombere gezicht. En de macht die je je daarmee verwerft .Ernst en het zichtbaar zwaar opnemen van de dingen trekt de aandacht van anderen. Ze bewonderen je er om hoe serieus je bent. Ze maken zich zorgen om je, of je wel goed voor jezelf zorgt. Je wordt gezien. Mensen zien dat je het zwaar hebt. En dat is een prettig gevoel. Maar of je innerlijk nog echt is? Niet waarschijnlijk.
Sinds jaren golft ziekte het leven van mijn partner in en uit. Hij heeft veel moeten inleveren. Daar hoor je hem nooit over. Na elke stap terug is hij al weer vergeten waar hij vandaan kwam. Vrolijk richt hij zijn blik naar voren. Wat zal hij nu gaan doen? Alles schijnt hem goed toe en hij vindt zijn weg altijd weer.
Ik ben de man van het sombere gelaat. Ik ben bang voor wat gebeurt. Ik maak mij zorgen om wat zou kunnen komen. "En", vroeg hij nog niet zo lang geleden, ik stond stilletjes koffie te zetten: "helpt het?" Nee, het hielp niet.
De laatste dagen dwarrelen de woorden van Jezus door mijn hoofd. Niet vanwege het vasten. Ik vast niet op het moment. Maar om het sombere gelaat. Dat je dat jezelf niet moet toestaan. Was je. Kijk vrolijk. Doe een lekker luchtje op. Er is zoveel om voor te leven.
Over welk loon heeft Jezus het trouwens? De somberaars krijgen aandacht, dat is hun loon. Het loon dat Jezus voor ogen heeft, lijkt mij iets anders. Dat je ontdekt de kracht en goedheid van G'd wanneer je gewoon verder gaat. En niet tilt. Je leeft in Zijn aanwezigheid. Het loon dáárvan, van een licht leven, is, merk ik, dat de angst verdwijnt. Wat levert het op om zwaar te worden als je de situatie toch niet kunt veranderen? Je kunt het heden leven, hoe de situatie ook is, en daar dankbaar voor zijn. Voor dat heden, bedoel ik. Dat er überhaupt een heden is om in te leven.
Ook al is het soms wel eens héél lekker om je gezicht te laten zakken en jezelf zielig te vinden.
Van de week, op een moeizame vergadering zat ik te spelen met mijn schrijfstift en voor ik het wist schreef ik
Lieve Jezus, kom toch gauw
want we zitten in het nauw
en de wereld gaat kapot,
breng ons weer terug bij God!
En toen zat ik er een poosje naar te kijken. Het was af en toch was het niet af. Het was een gebedje, kinderlijker dan ik ben. Dat vond mijn pen blijkbaar ook, want voor ik het wist schreef hij terug, alsof hij het Woord zelve was:
De bijbelse geschriften introduceren G'd onbekommerd. Is dat wetenschappelijk? Nee, dat is niet wetenschappelijk. Het is een sprong. Een antwoord op wat je hebt gehoord.
De bijbelse geschriften brengen G'd in als een sprekende G'd. Dat is een absurde omkering van alles wat geloof heette te zijn. Goden dienen om aangeroepen te worden. Niet om te roepen. En dan te doen wat wij hebben gezegd. Dat noemden we "gebedsverhoring".
De G'd van de bijbelse geschriften blijkt die normale gang van zaken om te draaien. Niet wij roepen Hem aan. Niet Hij doet wat wij van Hem vragen. Hij roept ons aan. Wij worden aangestoten. Tot wat? Tot vrijheid. Tot het scheppen van vrijheid. Dat wij liefhebben. Gebedsverhoring is eerder: dat wij gaan doen wat gedaan moet worden. Zoals een waterbron niet anders kan dan water doen stromen.
Bonhoeffer, wij lezen aan tafel een boek van zijn hand, zegt: de bijbel verkondigt geen algemene waarheden. De opstanding van Christus is geen algemene waarheid. Je kunt het niet beredeneren, niet ontleden en niet bewijzen. Je kunt het alleen aannemen." Of niet, natuurlijk.
Het is een joods gebruik. Om 'god' te schrijven zonder 'o'. Uit eerbied voor de Naam. Dat je die niet godslasterlijk inzet. Nooit kun je weten, ten einde toe, wie G'd is. G'd is Die jou aanspreekt. Meer is er niet te weten. Toen Mozes vroeg, of hij G'd kon zien, hóórde hij een woord. Het zei "Barmhartig is de Heer". En hij zag een rug die al voorbij was gegaan. G'd is ten hoogste een woord dat mij op de tong wordt gelegd. Het wordt nooit een woord in mijn hand.
En dat is maar goed ook.
Als het woord G'd zich zou sluiten en het geen geheimen meer zou bevatten, dan zou ik jou kunnen zeggen wat je moest doen. Het gesloten woord god geeft macht over mensen. Maar niet de macht van G'd zelf. Het is de macht van het eigen ego. Ik zeg te weten wie G'd is. Het blijft altijd ik - die zegt te weten. Het wordt een onwaarachtige macht. Die niemand tot leven brengt. Jou niet. Maar mijzelf, uiteindelijk, evenmin. God die geen mysterie is kan mij niets zeggen. Hij is ontleed en begrepen door mijn 'ik'. God is niets meer dan een godje.
We waren in de opera, afgelopen maandag. Don Carlo. Eén van de hoofdpersonen kennen wij uit onze geschiedenis. Het is Philips ll. Een oprecht vroom man. Het Escorial, zijn paleis, leek meer op een klooster. Hij was een sober mens. Zocht in alles G'd. En dacht te weten hoe G'd was. Hij leefde in de tijd van de reformatie. In zijn naam werden mensen op de brandstapel gezet. Omdat zij andere ideeën hadden dan hij. Andere ideeën dan de heersende Kerk.
Aan het begin van deze Don Carlo, in de regie van Wil Decker, dwong Philips zijn zoon om te knielen voor een ontzagwekkend groot kruisbeeld. Alleen de voeten van de gekruisigde staken onder de toneellijst uit. Het leek of hij Don Carlo liet knielen voor G'd. De jongen knielde voor de ambities en de dictaten van zijn eigen vader. Philips had zijn eigen ego tot God verklaard. God was zijn eigen ego. En hij wist het niet.
Vanaf dat eerste moment wist je: dit loopt niet goed af. Het loopt met Don Carlo niet goed af. Zoals het met duizenden protestanten niet goed afliep. Als het woord G'd zich sluit, worden mensen slachtoffer. Zo is het.
Het levert wel eeuwige muziek op. Dat dan wel. Hier Boaz Daniel als graaf Posa en Jonas Kaufman als Don Carlo. In een andere regie dan de genoemde.
Het woord "god" is een containerbegrip. Dat is hier al eens eerder betoogd. Het kan van alles betekenen. Een hogere, algemene macht, een sturende persoonlijke kracht, een verheven wezen, of juist de essentie van alle dingen. Het woord god kan verwijzen naar een werkelijkheid buiten die van ons, maar kan ook de kern van al het bestaande betekenen. Doordat het woord zo veel is, is het tegelijk ook niets. Wanneer je niet kunt zeggen wat een woord inhoudt - en vooral wat het nìet inhoudt - heeft het geen betekenis.
Te verklaren daarom, zoals Philipse doet, dat god er niet is, dat hij niet bestaat, is onzinnig. Voordat je kunt zeggen of iets niet bestaat, zul je moeten vaststellen wat dat 'iets' dan is. En dat laatste kan nu juist niet. Er zijn miljoenen beelden van god. Welk beeld bestaat niet?
Dit lijkt een flauw woordspel op het betoog van Philipse, maar het raakt mijns inziens precies de zaak. God is geen objectief door allen vast te stellen werkelijkheid. Dat ligt niet aan allen, dat ligt aan de eigen aard van het woord god. Het moét containerbegrip blijven, wil het kunnen functioneren. Zodra ik heb vastgesteld: dit is god. Op dat moment weet ik zeker dat het god niet is. Het is hooguit míjn inhoud van het woord god. En daarmee niet veel meer dan een verlenging van mijzelf. Met elke inhoud die ik het woord god geef, in de veronderstelling dat ik daarmee het woord uitputtend heb beschreven, doe ik niet veel meer dan mijn eigen ik poneren.
Dit is duidelijk: god is niet ik. Het woord god is een andere kant, een tegenover: waar die andere kant zich ook bevindt en hoe dat tegenover ook omschreven wordt. Het woord god krijgt alleen dan zijn definitieve betekenis, wanneer het zichzelf duidelijk kan maken. En zo lang het dat niet doet, blijven wij tasten en tijdelijke, halve woorden spreken.
De functie daarvan, de functie van het zoeken naar woorden terwijl je weet dat je nooit de juiste woorden zult vinden, is: dicht bij de essentie van het leven te blijven. Daaromheen te draaien, als het ware.
Er zijn duizenden liefdesliedjes. En er worden dagelijks bijgeschreven. Niemand voelt zich er door bedrukt dat hij nooit het ultieme liedje over de liefde zal kunnen schrijven: er zijn geen woorden genoeg voor. Niemand laat zich er door ontmoedigen dat er al zoveel geschreven is. Het hele schrijven en zingen richt zich erop de liefde te herkennen wanneer zij zich aandient. Om alvast ruimte voor de liefde te omzingen: de contouren ervan voelbaar te maken.
Iemand die daarbij roept: "liefde bestaat niet. Er zijn slechts genen die elkaar nodig hebben voor het voortbestaan." bederft niet alleen het liefdesspel. Hij geeft er blijk van niet begrepen te hebben waar het om ging.
Je kunt hooguit hopen dat de liefde verpletterend zijn leven binnenkomt. En juist wanneer hij wil gaan zoenen, vragen of hij er nog zo zeker van is dat liefde niet bestaat.
Wie bedacht ooit, dat je een koe ook wel uit het bos kon halen? En dat je, als je dan aan de speen van het beest trok, iets kreeg dat je wel kon drinken? Drie keer op een dag? En hoe bestond het, dat het dier dat goed vond?
Wie was het die ontdekte dat gras niet alleen voer voor beesten was? En dat je een stukje grond kon omwoelen? En dat je, als je dan alle kleine graszaadjes daar naar toe bracht, je een veldje vol eetbaar gras kreeg.
En wie kwam dan weer op het idee om het fijn te maken? Van gist te voorzien? In de oven te stoppen en het resultaat 'brood' te noemen?
Vijfduizend jaar geleden waren er ineens bollebozen die het zagen. Waarom toen? Waarom niet eerder? Later, misschien? En waardoor dan ook ineens overal? Stond het op de kalender soms: vanaf vandaag landbouw bedrijven?
We delen de gewoonte met de mieren. Zij houden kuddes luizen. Om de zoetstof die zij afgeven. Driemaal daags trekken mierenmelkmeisjes er op uit en komen terug met hun kostbare drank. Sinds wanneer? Wie is hun voorbeeld?
De oorlog delen we ook van hen, trouwens. Wie het wie leerde, de mens aan de mier of andersom, is nog onderwerp van onderzoek.
Herman Philipse schreef een boek. "God in the age of science." Op wetenschappelijke wijze stelt hij vast, dat G'd niet bestaat, zegt hij. Ik heb het boek nog niet gelezen. Maar wel het interview met Philipse (hier). Met droge ogen zegt hij daarin dat hij het wel rationeel logisch vindt dat mensen landbouw bedrijven. Hij ziet er geen mysterie in. De mens wil eten. Punt.
Ik haperde. Mij leek deze uitspraak voort te komen uit een groot gebrek aan verwondering.
Je kunt ook iets dicht doen, zonder het ooit echt te hebben gezien.
Mijn opa en oma hadden inkwartiering gehad. Vier, soms vijf, Duitse soldaten waren gehuisvest in hun huis met cocardedak onder aan de dijk. Ze vonden er zo min mogelijk van. Het moest. Dus leefden ze zo gewoon mogelijk door. Mijn opa was boterboer. Er viel niet veel meer te doen, aan het eind van de oorlog, maar een paar klanten had hij nog wel. Die bracht hij 'oorlogsboter'; een melange van margarine, 'de geur van boter en veel, heel veel water' zou opa er later over zeggen. De familie Roos was één van de adresjes die hij nog bezocht. Of, tenminste: wat er over was van de familie Roos. Zij hadden als strafmaatregel schuttersputten moeten scheppen langs de nieuwe weg, nu de A12. Er was een aanval geweest van Engelse vliegtuigen. Alleen de moeder en twee van haar kinderen waren terug gekomen die avond. Mijnheer Roos en drie zoons bleven achter. Dood.
Acht mei 1945 was de oorlog voorbij. En vielen gezichten open. Eén van de soldaten van mijn oma had eieren gekocht en een fles illegale jenever. Hij vroeg of mijn oma 'eierlikör' kon maken. Dan zouden zij samen het Willemientjesfest gaan vieren. De jongen meende het. Hij had de eieren in zijn ene en de fles in zijn andere. Hij had er met kinderlijke ogen bij staan glimlachen. Mijn moeder haalde op deze plek altijd adem, als zij het verhaal weer vertelde. Oma had haar hoofd geschud. "Jij bent ook maar een soldaat", had ze gezegd. Maar hij droeg het uniform van een mensvijandig regime. Voor hem was de oorlog ook een bevrijding, dat begreep ze wel. Maar hij droeg de geur van de daders om zijn schouders. Daarmee feest vieren zou verraad zijn. Ze dacht aan de familie Roos.
Elk jaar staat die jonge soldaat weer in de keuken van mijn oma. Mijn oma is al veertig jaar dood. De jongen zelf is er waarschijnlijk ook niet meer. Het huis is afgebroken. Maar de verhalen. Die bouwen dat moment jaar na jaar weer op. En de verlegenheid van mijn oma, dat zij niet anders kon kiezen dan wat zij koos. De jongen vertrok die middag naar Den Haag.
De Bijbelse geschriften zijn moralistisch. Dat had u al begrepen. Vanaf het eerste tot het laatste boek wordt er gesproken over dingen die je wel moet doen en dingen die je niet moet doen. Goed wordt onbekommerd goed genoemd en fout wordt er fout genoemd. Met holistische visies als "je kunt geen fouten maken, er zijn alleen lessen te leren" - zoals Barbara Streisand ergens zingt - hebben de bijbelse auteurs niets.
Eeuwen lang was het een succesnummer, dit moralisme. De Bijbel werd door het kerkelijk gezag uitgelegd. Als je je hield aan hun woord, zat je altijd bij de goeden. Dat was mooi. Lastiger werd het, toen mensen ontdekten dat er meerdere kerken zijn en dat ze allemaal claimen 'de waarheid' te bezitten. Ruzies tussen kerkgemeenschappen ontstonden al door enkel gedachtenexcercities of minimale verschillen in woordgebruik. Om een engel op een speldenknop sloeg men al met deuren. Wie moet je geloven?
Sinds we gezien hebben hoe moralisme en macht een ongezond verbond kunnen aangaan, als ik jou kan zeggen wat goed is heb ik macht over jou, brak het succes in stukken. We geloven de Kerk niet meer, over het algemeen. We geloven niemand meer. We ontdekten: ieder moet in zichzelf vinden wat waar is.
Dat laatste kan wel eens erg kloppen: jij weet wat gedaan moet worden. Maar of daarmee het moralisme van de baan is? Feitelijk wel. De publieke arena roept al gauw iets over 'opgeheven vingertjes' en 'dominees' en vinden het beide onderdelen voor een griezelkabinet. Er is geen goed en er is geen fout. Daders zijn ook slachtoffers. Vindt de algemene opinie. Goed, ik deed er geen onderzoek naar, maar zo'n indruk heb ik wel. Het moralisme heeft afgedaan.
Totdat twee jongens een juwelier doodschieten voor een paar rotcenten. Dan hoor je niemand meer zeggen: ach ja, het is maar hoe je het bekijkt. Dan blijkt er toch een - algemeen te ervaren- regel te zijn van goed en kwaad. Zijn we dan overgegaan naar een trek-uit-de-muur-moralisme? Prettig, voor als ik het nodig heb? Of zijn we toch niet zo anti-moralisme als we zeggen te zijn.